Aanbod - TIJDENS de lessen

Lager en secundair onderwijs

Waar kan ik als leerkracht, naast de lessen bewegingsopvoeding/LO, boodschappen rond beweging en sport geven en zoveel mogelijk kinderen en jongeren motiveren om te bewegen en te sporten?
Hoe kan een gevarieerd aanbod tijdens de lessen kinderen en jongeren aanzetten tot een sportieve en actieve levenshouding?

 

 

De Les bewegingsopvoeding/LO 

De les bewegingsopvoeding/LO vormt in de eerste plaats de geschikte gelegenheid voor bewegingseducatie.
De ontwikkelingsdoelen (kleuteronderwijs) en de eindtermen (lager onderwijs) LO bepalen de leerinhouden van de bewegingseducatie.
Het secundair onderwijs beschikt over de vakgebonden eindtermen LO en vakoverschrijdende eindtermen gezondheidseducatie.

SVS heeft geen bevoegdheid over de invulling van de lessen bewegingsopvoeding/LO. Hiervoor verwijzen wij graag door naar de pedagogische begeleiding bewegingsopvoeding/LO. 

Confronteer leerlingen met hun eigen bewegingsgedrag. Maak hen er bewust van. Zo heeft bewegingseducatie effect.

Bewegingseducatie moet een aantal (technische) competenties aanbrengen:

  • het correct uitvoeren van bewegingsoefeningen en sporten;
  • het opzoeken van bewegings- en sportinitiatieven;
  • het leren aanvaarden van de rol van de scheidsrechter;
  • met de medeleerlingen een tornooi in elkaar steken.

Aan het vak bewegingsopvoeding/LO kan men aandacht voor de socio-culturele context linken : de sociale functie van sporten en bewegen als de heersende sociale normen, de verschillen tussen de culturen ten aanzien van bewegen, ethisch verantwoord sporten, veiligheid, welbevinden, ….

Het is ook de bedoeling dat kinderen en jongeren een aantal sociale vaardigheden en attitudes meekrijgen die erop gericht zijn om een bewuste gezonde, veilige en actieve levensstijl te verwerven. Aandacht hebben en bewust kiezen voor voldoende bewegen en sporten staan hierin centraal.

schoen

 

Integratie in andere leergebieden en vakken: bewegend leren - vakoverschrijdende werking. 

Elke leerkracht kan in zijn lessen voor meer beweging zorgen. ‘Beweging’ kan elke leerkracht integreren in andere vakken buiten de les LO..
In het basisonderwijs spreekt men dan van ‘geïntegreerde bewegingsopvoeding’ of ook van ‘bewegend leren’. We leren andere leerinhouden door te bewegen. Op actieve exploratie gaan, het verkennen van de omgeving, het ervaren van gevaarlijke punten in een les verkeersopvoeding, het aanleren van het oversteekgedrag bij jonge kinderen, op de speelplaats al stappend lengte-eenheden ervaren en uitzetten, .…
Je kan de leerlingen met tal van elementen uit de meetkunde of meer algemeen uit de wiskundige wereld in contact brengen aan de hand van beweging.


Het werken met leerlijnen en een horizontale en verticale curriculumopbouw staan garant voor blijvende leerprocessen.
In de leergebieden WO, taal, wiskunde, muzische opvoeding en/of in verschillende vakken (technologische opvoeding, natuurkunde, biologie, geschiedenis, mechanica, …) kunnen de leerinhouden met betrekking tot beweging en sport geïntegreerd/vakoverschrijdend aan bod komen doorheen het schooljaar.
Conform de ontwikkelingsdoelen en eindtermen zijn binnen de school voor sport- en bewegingseducatie leerlijnen nodig zodat de opbouw mogelijk is. Een voorbeeld is de organisatie van het zwemonderwijs in het basisonderwijs (van watergewenning tot kunnen zwemmen).
Bij de uitbouw van de bewegingseducatie op school moeten de verschillende leerinhouden voldoende op mekaar afgestemd zijn en in de juiste verhouding aan bod komen. Naast kennisoverdracht moet men ook voldoende aandacht hebben voor het overbrengen van noodzakelijke vaardigheden en het aansturen van de juiste attitudes.

Voor de programmaopbouw van deze leerinhouden zijn afspraken nodig binnen het schoolteam en dienen alle leerkrachten betrokken te worden (i.e. voor de uitbouw van leerlijnen en spiraalcurriculum).

Een voorbeeld: Hoe kan je nu met een bewegingsles leren rekenen?
In de klas kunnen we aan de hand van psychomotorische oefeningen de kinderen het begrip driehoek bijbrengen. Ze hebben eerst geleerd dat deze geometrische figuur uit drie hoeken en drie zijden bestaat. We laten ze in de bewegingsles experimenteren met zulke figuren. Met hun lichaam, met handen en armen, laten we de kinderen een driehoek vormen. Drie kinderen maken bijvoorbeeld samen een driehoek. Op dat moment denken ze echt na en doen ze een beroep op hun voorstellingsvermogen. Ze vragen zich af hoe ze die opdracht kunnen uitvoeren. We kunnen ze ook een driehoek laten vormen met behulp van drie banken, tafels of stoelen. Hier spelen tegelijkertijd socio-affectieve elementen een belangrijke rol. De leiders komen naar voren terwijl de volgers intussen hun rol zoeken in de samenwerking. Ook het groepsdenken stimuleren we dus in een bewegingsles.
Eenmaal de driehoek gevormd is, moeten de leerlingen er iets mee doen. De leerkracht geeft een opdracht: we zetten ons op die zijde van de driehoek, we stappen over de zijden en we stoppen telkens op de hoeken, we plaatsen ons in het midden van de zijde, …
Het leerproces krijgt zo een welgekomen afwisseling, begrippen worden daadwerkelijk ervaren en gemakkelijker opgenomen en verworven.
Zo zorgt de school ook voor een stukje bewegingswinst in het kader van de realisatie van de dagelijkse beweegnorm.

 


schoen

 

Extra bewegings- en sportmomenten creëren. 

Een school kan op regelmatige tijdstippen extra bewegingsmomenten organiseren binnen de lesuren.
Denk hierbij aan een schoolsportdag, kennismakingsdagen op basis van sportieve activiteiten, sponsorlopen in het kader van een solidariteitsactie, … Aan deze activiteiten nemen alle leerlingen deel; ook leerlingen met minder belangstelling om te bewegen en te sporten.

SVS en Bloso hebben een gevarieerd aanbod van projecten, acties en activiteiten.
Deze grote waaier aan initiatieven biedt de school een ruime keuzemogelijkheid en laat de leerlingen kennismaken met vele nieuwe bewegings- en sportvormen.

De realisatie van dit aanbod is het resultaat van een intense samenwerking met verschillende instanties met vergelijkbare doelstellingen op verschillende niveaus: Vlaams, provinciaal en lokaal.

Een greep uit de initiatieven:

  • Natuurgebonden Sporten
  • Vakoverschrijdende pedagogische projecten (Zee van sporten, Kick op Sport, …)
  • Bewegingslandschappen (Rollebolle, Kronkeldiedoe, Alles met de bal, American Games, …)
  • Vlaamse veldloopweek voor scholen
  • Sportmix
  • Sportprikkels
  • Meester op de Fiets

schoen

 

 

Organiseren van ‘bewegingstussendoortjes’. 

‘Bewegingstussendoortjes’ zijn veilige, leuke, eenvoudige oefeningen die men als ‘break’ kan integreren op een schooldag. Veel leerlingen hebben nood aan een onderbreking: een onderbreking van de les of een overgang van een lesonderwerp.

‘Bewegingstussendoortjes’ zorgen ervoor dat leerlingen zowel mentaal als fysiek aandachtig blijven.  Ideale ‘bewegingstussendoortjes’ bieden nl. een gevarieerd aantal motorische prikkels. Ze verhogen het plezier en het concentratievermogen, zowel bij de leerlingen als bij de leerkrachten.

‘Bewegingstussendoortjes’ nemen gemiddeld 2 à 5 minuten tijd in beslag. Er bestaan ook zeer korte ‘bewegingstussendoortjes’ die op minder dan een minuut uitvoerbaar zijn.

Afhankelijk van de leeftijd, de motorische vaardigheden van de leerlingen en de omstandigheden (ruimte, (on)rustige groep, schikking van de klas, …) kan er een keuze gemaakt worden tussen verschillende soorten ‘bewegingstussendoortjes’.

Met de ‘bewegingstussendoortjes’ streeft de leerkracht verschillende doelstellingen na.

  • tegemoetkomen aan de natuurlijke bewegingsdrang van de leerlingen;
  • de concentratie aanscherpen;
  • verbeteren van de houding, met minder risico op rug- en nekklachten;
  • integreren van beweging in de klas;
  • meer plezier in de lessen opwekken;
  • minder negatieve stress uitlokken;
  • stimuleren van de creativiteit door leerlingen zelf oefeningen te laten bedenken;
  • het groepsgevoel aanwakkeren;
  • actief imago van de school opbouwen.