Focus - FIT

Lager en secundair onderwijs

 

 

Hoeveel bewegen?

De recente geschiedenis leert ons dat het promoten van sportactiviteiten voor leerlingen  niet steeds een oplossing biedt voor het tekort aan lichaamsbeweging in de levensstijl.
Vermoedelijk werd er nog nooit zoveel aan sport gedaan en toch blijft de sedentaire levensstijl van kinderen en jongeren een belangrijk gezondheidsprobleem.  Deze vaststelling én een beter inzicht in de relatie tussen de dosis lichaamsbeweging en het effect in een gezondheidsperspectief hebben ertoe geleid dat overheidsinstanties hun richtlijnen i.v.m. een fysiek actieve levensstijl aanpasten.


Kinderen van 6 tot 18 jaar moeten minstens 60’ per dag  bewegen voor een optimale gezondheid ( http://www.vigez.be/voeding_en_beweging/actieve_voedingsdriehoek). Dat hoeft niet aan een stuk te zijn, maar kan ook in blokken van minstens 10 minuten opgebouwd worden. De lichaamsbeweging is best matig intensief, dat wil zeggen dat de ademhaling en hartslag sneller gaan dan normaal en dat men ook begint te zweten (bij intensief bewegen.

Voor kleuters van (2.5 tot 6 jaar) geldt ook het ruimere alternatief van drie uur per dag licht intensief bewegen.

Let wel: deze aanbevelingen zijn een ’minimale’ aanbevelingen.

Een belangrijke taak is weggelegd voor de leraren LO in de school. Zij leren  kinderen en jongeren hoe ze lichaamsbeweging kunnen integreren in de dagelijkse activiteiten. Het is belangrijk dat kinderen en jongeren beseffen dat lichaamsbeweging ook kan buiten de sport.


Wat verstaan we onder beweging (inspanningen met matige intensiteit)?

Met beweging bedoelt men inspanningen met minstens een matige intensiteit of inspanningen waarbij je hart minstens iets sneller gaat slaan, je ademhaling iets sneller gaat dan normaal en waarbij je licht zweet.

Enkele voorbeelden: fietsen aan 10 km/uur, flink doorstappen, zwemmen, de trap aflopen, in de tuin werken,….  
De wetenschappelijke literatuur gebruikt meestal energetische criteria  (energieverbruik) om de intensiteit van fysieke activiteit te beschrijven.

Het begrip MET (metabolisch equivalent) wordt in deze context vaak gebruikt. Het drukt uit in welke mate het energieverbruik is toegenomen tijdens het uitvoeren van een fysieke activiteit in vergelijking met het energieverbruik in rust.
Een fysieke activiteit van ‘3 MET’ betekent dat het energieverbruik drie maal groter is dan in rust.


Activiteiten met een matige intensiteit hebben een MET-waarde van 3 tot 6. Dat stemt overeen met een energieverbruik van 4 tot 7 kcal/min. Activiteiten met een hoge intensiteit hebben een MET-waarde van meer dan 6. Een overzicht van activiteiten met hun
MET-waarde is te raadplegen op  http://prevention.sph.sc.edu/tools/compendium.htm.

Een activiteit met een matige fysieke activiteit kan als volgt berekend worden:
bereken eerst de maximale polsslag of hartfrequentie door de leeftijd van 220 af te trekken:
‘220 – leeftijd = maximale hartfrequentie’.
Meet dan tijdens een activiteit de polsslag. Bij het uitvoeren van een matige fysieke activiteit moet de polsslag tussen 55% en 69% van de maximale  hartfrequentie liggen (HEPA, 2001).

  Activiteiten met een lichte intensiteit Activiteiten met een matige intensiteit  Activiteiten met een hoge intensiteit 

Dagelijkse bezigheden en sporten

De meeste huishoudelijke taken: koken, boodschappen doen, schoonmaken, afwassen, tafel zetten, bed opmaken, opruimen.

Traag wandelen (aan 4 à 5km/uur)

Een muziekinstrument bespelen, darts, bowling, frisbee, golf, trampoline

Fietsen aan 15 km/uur, gymnastiek, kanoën, kajak, schilderen, snorkelen, tafeltennis, taichi, in de tuin werken, trap aflopen, volleybal (competitie), waterskiën, wandelen aan 5 à 6 km/uur (flink doorstappen), worstelen, zwemmen

Basketbal, boxen, fietsen vanaf 20-25 km/uur, gevechtsporten, handbal, hockey, klimmen, lopen vanaf 9 km/uur, schaatsen, skaten, skiën, snelwandelen, squash, tennis, trap oplopen (80 treden per minuut), voetbal, wielrennen, zwemmen (competitie, baantjeszwemmen)


Wat is gezond bewegen ?

Om voldoende aan beweging te doen, moet men 60 minuten per dag bewegen aan minstens matige intensiteit.
Om aan deze norm van gezond bewegen te voldoen, integreert men de lichamelijke activiteit maximaal in het dagelijks schoolleven (met de fiets of te voet naar school, actieve verplaatsingen voor buitenschoolse activiteiten tijdens de schooluren, organiseren van bewegingstussendoortjes, actieve speeltijden,…).

Indien kinderen/jongeren minstens 3x per week een half uur aan sport doen met een hoge intensiteit, halen ze de fitheidsnorm en gaat de fysieke conditie erop vooruit.

schoen

Fitte School = Geïntegreerde aanpak van beweging en voeding  

Wie op school een beweeg- en sportbeleid op poten wil zetten, botst ongetwijfeld op het aanbod van gezond eten op school. Dagelijks bieden heel wat basisscholen en secundaire scholen in Vlaanderen  hun leerlingen warme maaltijden aan. Naast warme schoolmaaltijden hebben heel wat scholen ook een aanbod van broodjes, dranken en tussendoortjes.

'Jongeren,  voldoende beweging én evenwichtige voeding bieden’  is niet altijd een evidente combinatie. De langetermijngevolgen van onvoldoende bewegen en ongezond eten zijn voor jongeren vooralsnog een ’ver-van-mijn-bed-show’. Met ziekte zijn ze nog niet bezig, maar ondertussen kampen er heel wat kinderen en jongeren met overgewicht.

Het is van groot belang om al op jonge leeftijd voldoende aandacht te besteden aan beweging en gezonde voeding. Een gezond beweeg- en eetgedrag wordt voornamelijk op jonge leeftijd ontwikkeld.  Vroege interventies voor kinderen zijn dus nodig om een gezond patroon te ontwikkelen en om overgewicht en bepaalde ziektes en aandoeningenop latere leeftijd te voorkomen. De school speelt hierbij een belangrijke rol. 

Om scholen te ondersteunen hebben SVS,VIGeZ en NICE  bij het begin van het schooljaar 2005-2006 de handen in elkaar geslagen om via het project ‘FITTE SCHOOL’  (www.fitteschool.be) beweging en gezonde voeding te stimuleren en vanzelfsprekend te maken.

 

Hoe helpt ‘Fitte School’ je?

Om te werken aan een ‘Fitte School’ verwijst de website www.fitteschool.be naar de methodiek  ‘kieskeurig’ (http://www.gezondeschool.be/kieskeurig) en naar het beleidsinstrument ‘Sport beweegt je school’ (www.sportbeweegtjeschool.be).


Kieskeurig (http://www.gezondeschool.be/kieskeurig) is de invulling van de methodiek voor het thema ‘voeding’. Dit helpt de school om verschillende onderdelen van het voedingsbeleid uit te bouwen.

‘Sport beweegt je school’ (www.sportbeweegtjeschool.be) is de invulling van de methodiek voor het thema ‘beweging’.  De website kan je gebruiken als ondersteuning voor de uitbouw van een kwaliteitsvol bewegings- en sportbeleid op school.

Op beide websites kan je educatieve materialen terugvinden voor school-, klas- en individueel gebruik. Naast deze materialen vind je ook acties van concrete schoolactiviteiten, gezondheidstestjes, pedagogische dossiers voor leerkrachten en didactische pakketten vanuit verschillende organisaties.

www.gezondeschool.be/kieskeurig/edu

Via de inspiratieboxen van ‘Sport beweegt je school’ kan  je op zoek gaan naar acties en materialen voor het thema beweging. Je kan zoeken op ‘bouwsteen’ (beleid, aanbod (voor, tijdens, tussen en na de lessen) en de focussen (fit, fair en fun for all) op ‘soort instrument’ (  methodiek, educatief materiaal,  activiteit, project) en op’ doelgroep’ (kleuter-, lager -, basis-,  secundair onderwijs, niveauoverschrijdend, buitengewoon onderwijs en inclusie).
http://www.sportbeweegtjeschool.be/inspiratiebox?id=53


 

schoen

 

Wat is fysieke fitheid? 

In de wetenschappelijke literatuur vindt men tal van definities van fysieke fitheid. Zo omschrijft de WHO (World Health Organisation) fysieke fitheid als “het vermogen om op een bevredigende manier spierarbeid te verrichten”.

Deze definitie is echter weinig hanteerbaar in verband met de evaluatie van de fysieke fitheid in het werkveld. Een meer bruikbare omschrijving is deze waarbij fysieke fitheid in verband wordt gebracht met “de mate waarin fysieke basiseigenschappen aanwezig zijn in een individu”. Dergelijke benadering laat toe de fysieke fitheid van een individu te evalueren. De voornaamste fysieke basiseigenschappen zijn: aërobe en anaërobe uithouding, kracht (maximale dynamische en statische kracht, krachtuithouding, explosieve kracht), snelheid, lenigheid en coördinatie. De mate waarin deze basiseigenschappen aanwezig zijn, is afhankelijk van onder meer genetische factoren, leeftijd, geslacht, lichaamsbouw en trainingstoestand.


De algemene fitheid verwijst naar “de aanwezigheid van al deze fysieke basiseigenschappen bij leerlingen om de dagelijkse taken naar behoren te kunnen uitvoeren, zonder buitensporige vermoeidheid. Het is evident dat het meten van de algemene fitheid slechts kan gebeuren door een reeks gestandaardiseerde testen (testbatterij) die elk afzonderlijk de mate van aanwezigheid van één basiseigenschap meet. Een veel gebruikte testbatterij voor het meten van de algemene fitheid is de eurofit-testbatterij. Deze testbatterij meet 10 onafhankelijke componenten die samen de algemene fitheid bepalen: cardiovasculaire fitheid, statische kracht, explosieve kracht, functionele kracht, rompkracht, loopsnelheid, snelheid ledematen, lenigheid, globaal lichaamsevenwicht en lichaamsbouw en - samenstelling. Zo bestaat er ook een “eurofit-testbatterij” voor jongeren (6-18 jaar) . Sommige scholen gebruiken deze testbatterij om de fitheid van de leerlingen te meten en fysiek zwakkere leerlingen te detecteren.


 

schoen

Welke maatregelen kan de school nemen om 60’ lichaamsbeweging maximaal te integreren in de schooldag? 

De school is een belangrijk kanaal om het beweeg- en sportgedrag van kinderen en jongeren te beïnvloeden.
De school is niet alleen een verzameling van individuele leerkrachten die voor een klas staan, maar ook een leefomgeving voor de leerlingen. Op basis van structurele of organisatorische maatregelen enerzijds en de schoolcultuur rond bewegen en sporten anderzijds, kunnen een aantal mogelijke stappen in deze context genomen worden.


Binnen de structurele en organisatorische maatregelen gaat het om de “mogelijkheden” die men de jongeren aanbiedt om een gezond beweeg- en sportgedrag te stellen. Fysieke activiteiten kan men direct of indirect promoten via een aantal structurele ingrepen zoals:

  • het beschikbaar stellen van voldoende sportvoorzieningen, zalen, sportvelden die ook in de pauzes, over de middag of na school kunnen gebruikt worden;
  • het beschikbaar stellen van voldoende veilige fietsstallingen op school;
  • het voorzien (ijveren voor) van fietspaden en voetpaden rond de scholen;
  • het voorzien van een bewegingsstimulerend klaslokaal dat gericht is op het meer dynamisch maken van het zitten (men kan dynamisch zitten a.d.h.v. ergonomisch zitmeubilair);
  • naast de nodige aandacht binnen de les L.O. en de overige vakken en de organisatie van beweeg- en sportmomenten voor, tijdens, tussen en na de lessen, kunnen ook de klas en het schoolgebouw ‘bewegingsuitnodigend’ worden ingericht.

Bij de schoolcultuur gaat het om de waarden en de normen die de school rond beweeg- en sportgedragingen aan zijn leerlingen meegeeft. De mate waarin de school sport- en bewegingsactiviteiten belangrijk vindt, kan op verschillende manieren zichtbaar worden. Een aantal belangrijke inspanningen die kunnen geleverd worden, zijn de hierboven aangehaalde structurele en organisatorische maatregelen. Anderzijds kan dit ook blijken uit het organiseren van projecten die het thema “gezond bewegen” behandelen (binnen diverse leergebieden/vakken of als een leergebied/vakoverschrijdend project). Op die manier worden leerlingen zich ervan bewust dat hun school bewegen en sporten belangrijk vindt. Indien deze thema’s echt in de schoolcultuur worden opgenomen, worden zij ook bij activiteiten zoals schoolreizen, extrascolaire- activiteiten,… gerespecteerd. Een schoolcultuur met aandacht voor bewegen en sport zal bv. op de open-deur-dag een fysieke activiteit, een wandeling of zelfs een jogging voor ouders organiseren.